We hebben de manier om een tijdlijn te maken gedetailleerder uitgelegd. Onderstaande tekst vervangt de tekst op pagina’s 91 en 92.

MAAK EEN TIJDLIJN

Een tijdlijn kun je het beste in twee stappen maken: de eerste stap (de deelvragen 1 t/m 6) dient om alle actoren in het verhaal op te sporen; de tweede stap (deelvragen 7 t/m 12) om hun rol in het verhaal te beschrijven:

De volgende acht vragen zijn nuttig gebleken om de verschillende gebeurtenissen en actoren (stakeholders) in een verhaal te identificeren:

  1. Wat is de oorzaak van het probleem? Wie verricht de fysieke handeling die tot het probleem leidt?
  2. Wat brengt de dader op het idee? Wie doet iets waardoor de dader zich bedreigd voelt of een mogelijkheid ziet?
  3. Wat heeft de dader nodig? Wie voorziet de dader van de noodzakelijke financiële middelen, kennis, instrumenten, grondstoffen, onroerende goederen, vervoermiddelen, menskracht of toestemming?
  4. Wat geeft de dader de gelegenheid? Wie neemt fysieke of administratieve barrières weg voor de dader?
  5. Wat doen de slachtoffers? Wie ziet zijn of haar welvaart, welzijn, veiligheid, gezondheid, vrijheid of invloed afnemen? Wie vlucht, zoekt hulp, past zich aan of vecht terug?
  6. Wat doen de profiteurs? Wie ziet zijn of haar hun welvaart, welzijn, veiligheid, gezondheid, vrijheid of invloed toenemen? Wie koopt, belegt, investeert, financiert, steunt?
  7. Wat doen getuigen? Wie ziet, ontdekt, inspecteert, controleert, bestudeert of onderzoekt de situatie? Wie komt de slachtoffers te hulp?
  8. Wat voorkomt of vermindert het probleem? Wie handelt er op een alternatieve manier? Wie steekt geld of energie in het vinden van een oplossing? Wie zet zijn of haar reputatie op het spel voor een oplossing?

Onderaan pagina 98 voegen we het volgende toe:

REIS OOK DOOR DE RUIMTE

Voor de meeste onderzoeksverhalen, denk aan onthullingen en reconstructies, kun je uitstekend uit de voeten met een chronologische structuur — een tijdlijn. Maar af en toe zul je een onderwerp tegenkomen dat zich niet zo gemakkelijk of lekker in een chronologisch jasje laat wringen. Als je het gevoel krijgt dat een tijdlijn geen soelaas biedt, probeer dan eens een ‘ruimtelijke’ structuur.

Een verhaal met een ruimtelijke structuur neemt de lezers letterlijk mee van de ene locatie naar de andere. Op elke locatie wordt een ander aspect (kenmerk of voorbeeld) van het probleem behandeld. De samenhang tussen de gebeurtenissen wordt nu niet bepaald door de tijd (oorzaak en gevolg), maar door een thema. Daarom wordt dit soms ook een ‘thematische structuur’ genoemd.

Neem dit voorbeeld van studenten aan een universiteit waar we lesgaven. Zij wilden aantonen dat de gebouwen waarin ze college kregen ongezond en onveilig waren. Hun eerst hypothese, ‘Het management bedreigt de gezondheid van de studenten’, lokte bij ons de vraag uit: hoe dan? Daarop gaven de studenten een hele reeks voorbeelden, van ramen die niet meer open kunnen en geblokkeerde uitgangen, tot losgeraakte vloerbedekkingen en schimmels op de muren. Ze kozen er vervolgens voor om het probleem te beschrijven door de verschillende aspecten ervan één voor één te belichten. Elk geconstateerd gebrek aan de gebouwen werd een verhaaltje op zichzelf, met een eigen geschiedenis, dader en slachtoffers. Ze ‘reisden’ in hun verhaal als het ware over hun campus.

Kers op de taart van de ruimtelijke structuur is als je op elke nieuwe locatie ook een nieuwe hoofdpersoon (‘dader’) aan de lezers voorstelt. Een schitterend voorbeeld hiervan is het NRC-verhaal ‘Het mestcomplot’ uit 2017, dat verschillende prijzen heeft gewonnen. Het zet de ene hoofdrolspeler (fraudeur) na de andere in de schijnwerpers. Aan het einde van de ‘reis’ heeft de lezer kennisgemaakt met alle kleine frauduleuze stapjes die samen één gigantische fraude vormen.